Merel Bem over Sluipweg

Deze stenen verbieden niets.
Kunst om te herdenken.

Kunst kijken is een geconditioneerde bezigheid. Een lijn op de vloer bepaalt hoe dicht je De Nachtwacht mag naderen. De strenge blik van een suppoost zorgt ervoor dat je de piepschuimsculpturen van Folkert de Jong niet aanraakt, hoe graag je dat ook zou willen. En zelfs wanneer pijlen en aanwijzingen je voor je eigen bestwil een bepaalde kant opsturen, omdat je op die manier het kunstwerk ervaart zoals de kunstenaar dat heeft bedacht – ook dan zit je gevangen in een web van geschreven bevelen en ongeschreven regels, die je beletten om de kunst op jouw manier te zien, te voelen, te ruiken, misschien zelfs wel te proeven.
Niet aanraken. Fluisteren. Niet aan likken a.u.b. Iedereen rondom het kunstwerk weet ervan en accepteert de grenzen, slechts een enkeling waagt het soms om ze te negeren.
In 1967 legde de Amerikaanse minimalist Carl Andre een pad van ijzeren platen op de vloer van een galerie, en nodigde bezoekers uit om eroverheen te lopen. Glarus Steel Slant was destijds een revolutionair werk. En is dat nog steeds.
Het is moeilijk om niet aan Carl Andre te denken wanneer je in het Noord-Hollandse Vijfhuizen, op een wal achter een negentiende-eeuws verdedigingsfort dat in 2000 werd veroverd door de kunst, wordt geconfronteerd met een kunstwerk van Hans van Houwelingen (1957). Ook Hans van Houwelingen maakte een pad, van stenen, helemaal van de ene kant van de wal naar de andere.
Mag je op dit pad lopen? Dat mag. Het is een stenen paadje in het gras, het werkt op het eerste gezicht uitnodigend, alsof het zegt: Volg mij maar, dan leid ik je langs de mooiste plekjes. En bovendien: dit is wat men noemt kunst in de openbare ruimte, daarvoor gelden weer hele andere regels. Kunst in de openbare ruimte mag je vaak wel aanraken, je mag er soms zelfs op klimmen, in hangen, op liggen. Op dit kunstwerk mag je lopen. Waarom aarzel je dan?
Er is nog iets anders. Dit zijn grafstenen. Op grafstenen mag je ook lopen. Je moet vaak wel, wil je van de ene kant van een kerk naar de andere komen. Toch gaat zoiets nooit van harte.
Onder de grafstenen van Hans van Houwelingen liggen geen doden. Dit zijn de oude herdenkingsstenen van graven die inmiddels zijn geruimd. De kunstenaar heeft die stenen gekregen van mensen van wie gestorven familieleden geen vaste rustplaats meer hebben. Die overledenen zijn volgens Hans van Houwelingen eigenlijk voor de tweede keer gestorven. Ze zijn ‘dooddood’.
Met die stenen legde hij het pad in Vijfhuizen, en noemde het Sluipweg, waarlangs de dood heeft weten te ontsnappen. Dat ontsnappen verwijst eigenlijk naar twee dingen. Naar de doden die geen graf meer hebben, en die langs deze weg toch herinnerd blijven. En naar de geschiedenis van het negentiende-eeuwse waterliniefort aan de voet van de wal, dat werd gebouwd ter verdediging van de omgeving van Amsterdam, maar waar nooit één man om die reden het leven liet. Zo wordt de dood geïntroduceerd op een plek waar hij nooit was, zij het via een sluipweg, een weg door de hoofden van iedereen die over het pad loopt – want in werkelijkheid zijn dit geen graven. Het zijn herinneringen aan graven, herinneringen aan hen die er ooit onder lagen, op een andere plek.
De kunstwerken van Hans van Houwelingen, die zich eigenlijk altijd in de openbare ruimte bevinden, spreken klare taal. Aan het begin van de jaren negentig liet de kunstenaar veertig bronzen hagedissen los in het Kleine Gartmanplantsoen in Amsterdam, een plek waar grootstedelijke verandering aan de orde van de dag is en waar mensen zich moeten aanpassen als reptielen. En in 2002 plaatste hij een beeld van Cornelis Lely op een 32 meter hoge basalten zuil in Lelystad, opdat de ingenieur zijn levenswerk eens van grote hoogte kon bekijken.
Zijn methode is steeds even simpel als ingewikkeld: vind maar eens van die voor de hand liggende tegenstellingen en giet ze dan ook nog eens in een onmiddellijk begrijpelijke vorm. Sinds enkele jaren houdt Hans van Houwelingen zich bezig de dood.
In combinatie met de dood wordt de kunst toegankelijker. Er mag dan ineens veel meer. Kunst krijgt plotseling een andere functie, ze draait om herdenking, om herinnering. En herinneringen moet je kunnen voelen.
Loop over de stenen van de sluipweg, de grote, de kleine, de granieten, de marmeren. Kijk uit over het landschap, de bomen, het water. Lees de teksten. Hier rust. Rust zacht. Steeds dezelfde woorden, als een mantra, en zo anders dan de woorden die je dikwijls aantreft bij een kunstwerk. Blijf af. Ga terug. Deze stenen verbieden noch gebieden. Ze nodigen uit: Ga maar liggen. Niet eronder maar erop. Dan zul je het voelen. Hier: rust. Eindelijk.

Merel Bem, kunst- en fotografiecriticus